Basiscursus Duits

EUR 44,50 (incl. BTW):
Bestellen
Contact opnemen

Werken in Duitsland


Met deze adaptieve e-learning leer je de basiswoordenschat van het Duits en zinnen, uitdrukkingen en...

Meer

Met deze adaptieve e-learning leer je de basiswoordenschat van het Duits en zinnen, uitdrukkingen en woorden die horen bij zestien praktische taalcompetenties.

Bent u op zoek naar werk in Duistland en heeft u een uitkering, dan kunt u een kortingscode aanvragen via info@werkeninduitsland.nl, o.v.v. kortingscode taalcursus, uw naam, adresgegevens, geboortedatum en beroep waarin u werk in Duitsland zoekt. Binnen 2 werkdagen krijgt u de kortingscode toegestuurd. De cursus kost met korting slechts 24,50.


Inhoud

Deze cursus bevat onderwerpen, woordenschat en structuren op A1- en A2-niveau volgens het Europees Referentiekader (ERK). Tijdens de cursus leer je de volgende competenties:

1. Vragen waar iets is

Je aanwezigheid aankondigen, plichtplegingen doen en vragen naar de locatie van een persoon of ruimte.

2. Zich voorstellen

Je voorstellen, praten over eerder werk en opleiding; vertellen over waar je woont. 

3. Vragen om verduidelijking

Zeggen dat je iets niet verstaat; vragen om opheldering; vragen hoe iets in het Duits wordt genoemd of hoe je iets op de juiste manier zegt.

 4. Afspraken maken en de toekomst beschrijven

Fysieke afspraken maken en een beschrijving doen van de persoonlijke toekomst.

5. De weg vragen

De weg vragen op straat en in openbare ruimtes; veelvoorkomende vragen in openbare ruimtes.

6. Activiteiten in de stad en het weer

Praten over wat er in de stad te doen is en aangeven wat je zou willen gaan doen; praten over het weer.

7. Restaurant

Een menu lezen, eten bestellen, vragen naar de inhoud of smaak van een onbekend gerecht.

8. Hotel

Een hotel boeken; basisvaardigheden voor in het hotel, waaronder klagen over een gemis.

9. Vertellen over het verleden

Vertellen over een gebeurtenis in het verleden; een anecdote vertellen.

10. Klagen

Klagen over een project, termijn, werkomstandigheid of collega. Overschot en gebrek aangeven.

11. Vragen hoe je iets doet

Vragen stellen met behulp van de belangrijkste vraagwoorden: wie, wat, waar, wanneer, waarom, welk, hoe, hoe vaak, hoe laat.

12. Vragen om een voorwerp

Vragen om een voorwerp; vragen waar een voorwerp is; aangeven welk voorwerp je nodig hebt; inclusief allerlei gereedschappen en voorwerpen in en om het huis.

13. Spreken over verplichtingen

Spreken over verplichtingen en mogelijkheden in combinatie met allerlei ruimtes; de namen van ruimtes in en om huizen en (bedrijfs-)gebouwen of fabrieken.

14. Sport en actualiteiten

Simpele gesprekken houden over sport en actualiteiten

15. Hobby’s en vrije tijd

Praten over wat je graag in je vrije tijd doet en vragen stellen.

16. Mensen beschrijven

Spreken over persoonlijke kenmerken in combinatie met allerlei beroepen en werkvelden.

Praktijkgericht

Tijdens deze cursus Duits oefen je alleen met nuttige, praktijkgerichte onderwerpen. 

Werken in Duitsland


Met deze adaptieve e-learning leer je de basiswoordenschat van het Duits en zinnen, uitdrukkingen en...

Meer